Het verbeelde leven van Louis Couperus

Nog voor ik een bladzijde gelezen had, was ik al onder de indruk van de enorme omvang die Rémon van Gemeren zijn biografie Couperus. Een leven heeft meegegeven. Zoals vaak in biografieën begon ik alvast in het notenapparaat te bladeren, dat meteen sprankelende passages opleverde en veel goeds beloofde. Als lezer werd ik al op jonge leeftijd door Couperus de ‘grote literatuur’ in getrokken. In de zomer dat ik achttien werd gaf ik mij volledig aan zijn werk over. Overdag deed ik vakantiewerk, ’s avonds trok ik mij met Eline Vere terug in mijn kamer. Er openden zich nieuwe vensters waardoor de schrijver zich een weg naar mijn hart baande. Ik dweepte met personages als Frédérique van Erlevoort die mijn voorstellingsvermogen prikkelde‘met loshangende haren, zeer bleek onder een dunne laag poudre-de-riz’. Binnen een week vloeide Eline’s bewustzijn ‘als druppel na druppel, uit haar weg en zij sliep in den dood in’. Na Noodlot, Extaze en De boeken der kleine zielen volgden Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan en De stille kracht. Het waren vooral de Haagse en Indische romans waarin ik mij als lezer kon verliezen.

Om Couperus’ werk in een biografisch kader te plaatsen stond mij in 1980 Louis Couperus. Een schrijversleven van Albert Vogel ter beschikking (dat zeven jaar eerder al was verschenen als De man met de orchidee), een beknopte biografie in vergelijking met wat er nog zou komen. Toen zeven jaar later – in 1987 – de Couperus-biografie van Frédéric Bastet verscheen (in 1991 gevold door het schrijversprentenboek De wereld van Louis Couperus), was ik een flink stuk verder op het pad van de literatuur. Couperus was inmiddels een jeugdliefde geworden. Zijn klassieke romans waren grotendeels ongelezen gebleven en datzelfde geldt nog altijd voor de biografie van Bastet. Weer dertig jaar verder beschouw ik dat bij het lezen van de vijfde biografie, die ook voor Couperus-adepten vrij onverwacht uit de lucht is komen vallen, als een voordeel. Ik ontkom daarmee aan vergelijkingen met de ‘klassieker’ van Bastet. Evenmin ben ik bekend met het aanvullende onderzoek dat in de afgelopen decennia is gedaan door José Buschman en H.T.M. van Vliet, naar wiens Couperus-biografie ook al lang reikhalzend wordt uitgekeken. Daardoor kan ik Van Gemerens werk redelijk onbevangen ter hand nemen om mij open te stellen voor de even mysterieuze als ongrijpbare schrijver over wie al zo veel gezegd en geschreven is.
Er is alleen een ander boek dat mij een beetje in de weg zit: de vrijwel gelijktijdig verschenen prachtige biografie van Eva Rovers over Boudewijn Büch: Boud. Terwijl Van Gemeren voortdurend naar parallellen zoekt tussen het schrijversleven van Couperus en diens roman Metamorfoze, ontkom ik niet aan vergelijkingen tussen de twee schrijverslevens. Evenals bij zijn jongere collega, bleef het lot dat Couperus als schrijver was beschoren omgeven door ‘een lichtelijk triest gevoel […], zonder veel vreugde of tederheid’. De gedachte dat hij afscheid had moeten nemen van een werk waarmee hij een tijd lang in een roes verbonden was geweest, vergeleek Couperus met het verliezen van een kind dat hij nooit meer terug zou vinden: ‘Als het boek àf is, is het voor den schrijver verloren.’ Bij deze verstoorde idylle drong zich onontkoombaar de gedachte op aan Büch’s ‘bibliomanie’ en ‘eilandziekte’, evenals aan de mythe van het ‘dode kind’. Ook voor hem was de reis en het verlangen naar voltooiing altijd mooier dan het bereiken van het doel. Maar zoals gezegd: dat is een heel ander verhaal.
In tegenstelling tot Büch, die zijn leven op de meest ingewikkelde manier tegelijk documenteerde en mystificeerde, is van Couperus heel weinig biografisch materiaal bewaard gebleven. Het gevolg is dat diens biograaf zich heel diep over de 52 delen van Couperus’ verzameld werk heeft gebogen, op zoek naar de ‘mens’ achter de schrijver. In hoeverre sprak Couperus in zijn journalistieke werk de waarheid? is de vraag die Van Gemeren zich al voor in zijn boek stelt. Is de schrijver, die van zichzelf zei: ‘ik ben een leugenaar’, wel als ‘ik’ te vertrouwen? En wat te doen met het verwarrende alter ego Louis Couperus dat Couperus vanaf 1909 jarenlang gebruikte? Met vergelijkbare vragen worstelt elke biograaf op een bepaald moment. Maar als Van Gemeren zich afvraagt of romans en verhalen autobiografisch geïnterpreteerd mogen worden en of hij ervan op aan kan dat alles in werkelijk zo is gebeurd, kom je als lezer sterk in de verleiding hem over de pagina’s heen het ontkennende antwoord toe te roepen.
Van Gemeren deelt de observering van Couperus’ tijdgenoot en vriend Frans Netscher, dat de schrijver wat hij schreef nooit zelf precies zo heeft doorleefd, maar zich in dat wat hij schreef heeft ingeleefd. Evenals met Büch probeerde hij zijn persoonlijk leven zoveel mogelijk te maskeren door ín zijn werk te leven. Van Gemeren: ‘Hij had veel gevoelens, maar die werden dikwijls sterker opgewekt, ze waren dieper, wanneer hij zich iets inbeeldde dan wanneer hij in het dagelijks leven onder de mensen was. De werkelijkheid spoorde vanzelfsprekend zijn verbeelding aan, en de daden die hierin plaatsvonden, beleefde hij intenser dan “echte” daden.’ Hoe citeerde Büch’s biograaf s ook al weer Theodor Holman: ‘Wil je dat niemand je ziet, schep een dubbelganger die iedereen misleidt en ga zelf de andere kant op.’
Nog een laatste parallel met Büch, wiens ondoorgrondelijke spel met de waarheid een diepe indruk heeft achtergelaten. Die wordt niet minder als ook bij Couperus het mysterie rond zijn seksualiteit ter sprake komt. Waar Büchs expliciete seksuele metamorfoses vooral door opportunisme werden gedreven, bleef de geaardheid van Couperus in een heel andere tijd in het vage. Toch blijft ook Van Gemeren bij het al lang ingenomen standpunt dat de schrijver homoseksueel was en hij nooit een seksuele relatie met iemand heeft gekend, niet met de ‘forsche, robuste, krijgshaftig uitziende persoonlijkheid’ jonkheer Johan Ram en ook niet met zijn vrouw Elisabeth Baud.

Louis Couperus en zijn echtgenote Elisabeth Baud
Louis Couperus en zijn echtgenote Elisabeth Baud

Schoonheid, illusie en fatalisme zijn volgens de biograaf de kernbegrippen in het werk van Couperus. Het personage Hugo in het verhaal ‘Epiloog’ maakt de schrijver zichtbaar die Couperus had willen zijn: iemand die niet boog voor de mening van critici of het grote publiek. De schrijver hield niet van praten over literatuur en het trok om ook niet om zelf te recenseren. Het reizen door zijn fantasiewereld was ver te verkiezen boven die van een ander, ‘en boven de vaak kleurarme realiteit’. In Couperus’ eigen woorden: ‘De “litteratuur” in mij heeft mij getroost voor de dorre werkelijkheden’.
In een ander verhaal is de hoofdpersoon dichter zonder te schrijven, omdat hij alleen dicht in zijn verbeelding, die de enige werkelijkheid is: ‘Onze verbeelding is onderhevig aan haar eigen noodlot.’ Couperus kon zich alleen ‘de fatale werkelijkheid’ van zijn verbeelding voorstellen. Desondanks was de verbeelding geen vloek. De dichter in ‘Het verbeelde leven’ kent naast de angst en pijn van het bedrog ook de euforische momenten – ‘de hemel op de wereld, de wellust van ziel en zinnen’ – , de rest van de tijd was er wanhoop en verdriet.

Wat hem aan biografisch materiaal ontbrak, heeft Van Gemeren in ruime mate aangevuld door middel van uitvoerige besprekingen van vrijwel alle romans en verhalen van Couperus. Daarin worden zowel de karakters als de besprekingen van het werk uitputtend beschreven. In het begin laat je je daarin als lezer nog welwillend meenemen, maar gaandeweg ontkwam ik er niet aan uitgebreide passages en samenvattingen van de boeken die ik niet heb gelezen – en waarschijnlijk ook niet zal lezen – over te slaan. In een levensverhaal van 880 bladzijden blijft er dan nog heel veel over, maar de betovering van het nog zo waardevolle boek is daarmee wel verbroken. Ook de vele lange uitweidingen over maatschappelijke ontwikkelingen die met het oeuvre van Couperus in verband moeten worden gebracht, doen afbreuk aan het levensverhaal. Meeslepend wordt het boek daardoor niet meer en dat is jammer. Het leest als een naslagwerk waarin je houvast blijft zoeken in de chronologie. Tegelijk maakt de stijl van Van Gemeren en zijn streven naar volledigheid deze biografie tot een indrukwekkende prestatie.

‘De dingen in het leven zijn niet altijd groot’, schrijft Couperus in ‘Naar Rome’. ‘Wij zijn kleine, heel kleine zielen, en de dingen van het leven, ons leven, zijn meestal klein, heel klein en heel onbeduidend. […] Maar door àl die kleine dingen schemeren de groote dingen, die groote dingen die toch ook heerschen over onze kleine levens en zij zijn de Schoonheid, de Poëzie en de Vriendschap, de Liefde…’
Voor ik aan dit veelomvattende boek begon, had ik de hoop dat de biograaf mij bij de hand zijn nemen om na ruim dertig jaar De boeken der kleine zielen uit de kast te halen en mij zou weten te verleiden om er met alle biografische bagage en duidingen veel verder in door te dringen. Het eerste is in elk geval gelukt: mijn belangstelling voor Couperus is opnieuw gewekt. De volgende stap is om Eline Vere weer open te slaan en naast Frédérique Van Erlevoort voor de psyché te gaan staan terwijl ze haar wenkbrauwen met een penseelstreek zwarter tint, en haar ongeduldig te horen roepen: ‘Haast je dan toch, Paul!’

Couperus. Een leven
Rémon van Gemeren
Prometheus
ISBN 9789035140882
Verschenen in november 2016

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 39,95)

Koop bij bol.com

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,95)

Wim Huijser
Wim Huijser
Wim Huijser is schrijver-publicist op het snijvlak van literatuur, geschiedenis en landschap. Hij schreef onder andere een biografie van C. Buddingh’, een monografie van Ton Schulten en tientallen boeken over literatuur en wandelen. Daarnaast stelde hij diverse bloemlezingen samen, waaronder een met wandelfragmenten van J.J. Voskuil.

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in